Naar inhoud

Praktisch

Archief

Werft 30
2440 Geel


tel. 014 56 66 90
archief@geel.be

Geschiedenis Geel - 04 Vrijheid en schepenbank

Voorblad van de Costuymen van Gheel, uitgegeven in 1682 door M. Knobbaert

Vermoedelijk in de eerste helft van de dertiende eeuw kende de bezitter van Geel aan de inwoners belangrijke vrijheden toe. Dat waren in feite bepaalde wederzijdse rechten en plichten die tussen de machthebber en zijn onderdanen waren afgesproken, in regels vastgelegd en bezegeld. De benaming Vrijheid van Geel duikt vanaf dan op. De term ‘vrijheid’ stond toen grossomodo voor wat wij vandaag ‘gemeente’ noemen.


Ook de oprichting van een schepenbank dateert uit de eerste helft van de dertiende eeuw en wellicht is dat een van de hierboven aangehaalde vrijheden die toen aan de Gelenaars werden toegekend. De precieze datum van dat belangrijke gebeuren is helaas niet bekend.


De schepenbank bestond uit zeven leden. Zij vertegenwoordigden de inwoners in het bestuursapparaat en in de rechtspraak. Aanvankelijk werden de schepenen autonoom door de heer aangesteld. Hun ambtstermijn was tot enkele jaren beperkt. Op een later tijdstip bedongen de schepenen dat ze zelf een lijst met kandidaten voor het schepenambt mochten indienen. Daaruit moest de heer dan zijn keuze maken.


Niet alle bezitters van de Vrijheid hielden zich echter aan de afgesproken rechten en plichten. Dat gaf aanleiding tot ernstige geschillen. Enkele keren zagen de schepenen zich zelfs verplicht om hun rechten af te dwingen via een procedure voor de Raad van Brabant, het hoogste justitiehof van het hertogdom. Een voorbeeld hiervan is het langdurige proces in de periode 1703-1724 tussen de Geelse schepenen en A. Vierling, intendant van Béatrice van Lorreinen, abdis van Remiremont, de toenmalige vrouwe van Geel. 

De Halle in 1890-1893 (foto J.B. Stessens)

Drossaard en schepenen namen samen de nodige beslissingen voor een goede functionering van de Geelse gemeenschap. Naast hun bestuurlijke bevoegdheden waren de schepenen ook bekleed met rechterlijke macht. De Geelse schepenbank was een rechtbank van zogenaamde ‘hoge justitie’. Dat betekende dat ze in strafzaken zowel voor overtredingen als voor misdaden vonnissen velde. Een veroordeelde kon niet in beroep gaan. In het rechtssysteem van die tijd was het de drossaard die de misdrijven opspoorde en de daders voor de rechtbank bracht, maar het waren de schepenen die recht spraken. Die rechtbank noemde men de vierschaar. Ook burgerlijke zaken werden door de schepenbank beslecht.


Wanneer moest worden beslist over belangrijke beleidsdaden, zoals het heffen van nieuwe belastingen of het procederen voor een hogere rechtbank in naam van de gemeente, lieten drossaard en schepenen zich bijstaan door lieden die representatief waren voor de hele gemeenschap in al haar geledingen: twee gezworen afgevaardigden van elk van de elf gehuchten, twee kerkmeesters van de Sint-Amandskerk en twee van de Sint-Dimpnakerk, alsook twee heilige-geestmeesters. Dat bracht het totale aantal leden van de vergadering op zesendertig. Men noemde die verzameling ‘het corpus’ van de gemeente. Wanneer er zeer belangrijke geldkwesties op de agenda stonden, hadden bovendien ook de bijzonderste gegoede inwoners het recht hun stem te laten horen in het corpus.


Bel is altijd een buitenbeentje geweest in de Vrijheid. Het dorp mocht in een zekere mate voor zichzelf zorg dragen. Het werd bestuurd door een meier die onderhorig was aan de drossaard van Geel.


Een bijzondere functionaris bij de Geelse schepenbank was de secretaris. Hij hanteerde de pen zowel bij rechterlijke als bij bestuurlijke aangelegenheden. De secretaris was van grote waarde voor de werking van het systeem. Daarom ook was het de heer die hem benoemde.