Naar inhoud

Praktisch

Archief

Werft 30
2440 Geel


tel. 014 56 66 90
archief@geel.be

Geschiedenis Geel - 10 Wel en wee in kerkelijk Geel

De Heilige Amandus (coll. GGG)

In het centrum van Geelstaan twee grote kerken: de kerk van Sint-Amands, in fases gebouwd van 1489 tot 1532, en de Sint-Dimpnakerk, gebouwd van 1349 tot 1585. Het is nog niet uitgemaakt of de oorspronkelijke parochiekerk zich bevond op de plaats waar nu de Sint-Dimpnakerk staat of op de plaats van de huidige Sint-Amandskerk, maar vanaf de twaalfde-dertiende eeuw duikt de laatstgenoemde onbetwistbaar op als hoofdkerk voor het hele grondgebied. Dat maakt Sint-Amands de oudste parochie van Geel.


De Sint-Dimpnakerk vindt haar oorsprong in de verering van haar patroonheilige. In 1532 verbond Jan III van Merode, heer van Geel, aan het gebedshuis een college van tien vicarissen. Zij hadden tot taak de talrijke bedevaarders bij te staan en de kerkelijke diensten te verzekeren. In 1562 werd het college van vicarissen verheven tot een kapittel van kanunniken. Hun kerkrechtelijke bevoegdheden bleven beperkt tot de bedevaarders. Niettemin kwamen ze geregeld in aanvaring met de pastoor van Geel die zeer op zijn strepen stond. De Sint-Dimpnakerk zou pas in 1874 het statuut van parochiekerk verwerven.


Oorspronkelijk maakte Geel deel uit van het bisdom Kamerijk, aartsdiaconaat Antwerpen. In 1559 werd de Vrijheid ingedeeld bij het nieuw opgerichte bisdom ’s-Hertogenbosch. Geel werd meteen een decanaat. Toen de Tachtigjarige Oorlog met de Vrede van Münster (1648) werd afgesloten, lag het grootste gedeelte van het bisdom ’s-Hertogenbosch in het afgescheurde protestantse gebied. Er werd daar geen bisschop meer geduld. Voor de gedeelten van het bisdom die tot de Spaanse Nederlanden behoorden, in hoofdzaak het decanaat Geel, stelde de paus een apostolische vicaris aan. Vanaf 1731 werd het kerkelijk bestuur van het decanaat Geel overgedragen aan de aartsbisschop van Mechelen. Later, in 1759, werd de bisschop van Antwerpen daarmee belast. Die toestand bleef behouden tot in 1802.

Brief van Aartsbisschop van Mechelen i.v.m. deken Tubbax (1834) (DAG Sint-Amands)

Ook Napoleon hield zich bezig met het herinrichten van de bisdommen. Na het concordaat van 1801 kwam Geel aldus terecht in het aartsbisdom Mechelen. Dat bleef zo totdat in 1961 het bisdom Antwerpen opnieuw verrees uit de behoefte aan reorganisatie van de katholieke communauteit.


De inwoners van Geel zijn, in hun geheel genomen en historisch gezien, altijd trouwe volgelingen geweest van de katholieke kerk. In welke mate er in de jaren van de Beeldenstorm (1566) Gelenaars aanhangers werden van het nieuwe geloof, de zogenaamde Hervorming, is nog niet onderzocht. Alleszins woedde die beeldenstorm, een soort volksopstand tegen het katholicisme, ook in Geel.


Tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) liepen de kerkgebouwen opnieuw grote schade op. Vooral 1581 piekte als een gruweljaar. Het waren zware tijden voor de gelovigen en hun herders. Gedurende langere periodes moesten de geestelijken zich schuilhouden of hun leven veiligstellen door Geel te ontvluchten. In het bijzonder gedurende de Retorsietijd (1632-1642) was de kerkvervolging zeer acuut.


Een nieuwe zwarte tijd brak voor de katholieke godsdienst aan nadat de Franse republiek in 1795 ons land had aangehecht en ook hier haar verlichte ideeën ging uitwerken. De tienden, de kerkelijke belasting, werden vanaf de oogst van 1796 afgeschaft. De Fransen sloten even de de Sint-Amandskerk, maar heropenden ze later. De Sint-Dimpnakerk, door de republiek aangeslagen, werd openbaar verkocht. Andere Geelse kerken en kapellen ondergingen een gelijkaardig lot. Het kapittel van kanunniken werd opgeheven. Alle priesters moesten de opgelegde eed van haat aan het koningdom en trouw aan de republiek afleggen, zo niet kregen ze verbod nog de eredienst uit te oefenen. Van de twintig priesters die toen in Geel werkten, zo schreef de toenmalige deken Tubbax, legde er slechts één de eed af. Toen de overheid nog strenger optrad en de niet-beëdigden vervolgde met het oog op deportatie, doken de priesters onder. Die zogenaamde ‘beloken tijd’ duurde ongeveer drie jaar. Vanaf 1801 was de storm uitgewaaid en gingen de gebedshuizen geleidelijk aan opnieuw open.