Naar inhoud

Praktisch

Archief

Werft 30
2440 Geel


tel. 014 56 66 90
archief@geel.be

Geschiedenis Geel - 12 De heilige Dimpna en de gezinsverpleging

Het standbeeld op de markt dat symbool staat voor de gezinsverpleging

De geschiedenis van Geel is innig verbonden met de heilige Dimpna. Deze Ierse koningsdochter zou hier volgens haar legende ergens in de verre middeleeuwen door haar vader zijn vermoord omdat ze weigerde in te gaan op zijn incestueuze verzoeken. Haar marteldood veroorzaakte met verloop van tijd een toestroom van geesteszieken en hun begeleiders die van heinde en verre op bedevaart kwamen naar Geel. Velen van hen vonden een logement bij de inwoners, onder meer omdat ze vaak hun beurt moesten afwachten om de speciale voor hen ingerichte goddelijke diensten bij te wonen of gewoon omdat ze langere tijd wilden verblijven in de nabije omgeving van de plaats waar zich de relieken van de heilige bevonden. Algemeen werd immers aangenomen dat wie lang en dicht bij de relieken vertoefde, er een geneeskrachtig effect van onderging. Het opvangen en verzorgen van die pelgrims werd een Geelse specialiteit. Uit die gebruiken is de Geelse gezinsverpleging gegroeid. De verdere evolutie bracht immers mee dat de families of instanties hun dierbare geesteszieken voor lange tijd of definitief in Geel bij de inwoners lieten plaatsen.


De geestelijken van de Sint-Dimpnakerk verzorgden niet alleen de kerkelijke diensten ter ere van de heilige Dimpna maar organiseerden ook de materiële aspecten van de bedevaart. Zo regelden de priesters de opvang van de pelgrims bij de families in de omgeving van de Sint-Dimpnakerk. In 1562 nam het kapittel van kanunniken dat vanaf dan aan de Sint-Dimpnakerk werd verbonden, die taak in handen.


In de vijftiende eeuw werd tegen de zuidelijke kant van de toren een afzonderlijk gebouw opgetrokken, de zogenaamde ziekenkamer. Enkelezieken verbleven er tegelijkertijd, en onder bewaking, voor een duur van negen dagen. Van daaruit ondergingen ze de voor hen voorziene rituele behandelingen, boetes genaamd. Volgens de registers passeerden er van 1687 tot 1797 zo’n 4000 geesteszieken in die ziekenkamer. Ook het bestuur van de Vrijheid nam zijn verantwoordelijkheid op en waakte over de openbare orde in de gemeente, want sommige zieken en razenden konden wel eens gevaarlijk uithalen. Gepaste ordonnanties werden uitgevaardigd. In een latere periode zou de lokale overheid zich nog meer inlaten met de aanwezigheid van de krankzinnigen in de gemeente.

Vanaf de achttiende eeuw vonden vele zieken onderdak bij de burgers, zonder tussenkomst van de kanunniken en zonder dat er enig godsdienstig ritueel aan te pas kwam. Particulieren traden hierbij op als tussenpersoon en hielden, tegen betaling, toezicht op de uitbestede patiënten. Ook armbesturen van steden en gemeenten lieten zo vele patiënten in Geel plaatsen.


Voor de Gelenaars was de verzorging van de krankzinnigen beslist een daad van christelijke naastenliefde, maar toch was er ook een economisch voordeel aan verbonden. De geldelijke vergoeding die de pleeggezinnen ontvingen, alsmede sommige neveninkomsten voortvloeiend uit de aanwezigheid van de zieken waren een welgekomen toemaat om het economisch bestaan van de gemeenschap te versterken.


De zieke die hier verbleef, was als het ware geïntegreerd in het openbare leven. Die bijzonderheid en ook de relatieve vrijheid waarvan de patiënten hier konden genieten en die een heilzaam effect op hen had, bezorgden de Geelse gezinsverpleging een bijzonder gunstige weerklank tot in het buitenland toe. 

'De kolonie' rond 1900

Nieuwe opvattingen over de behandeling van geesteszieken drongen in de negentiende eeuw krachtig door. Daarom zou de staat voortaan de zorg voor die categorie van door de natuur erg benadeelden tot zich trekken. In 1850 kwam de Geelse krankzinnigenverpleging aldus onder het gezag van een rijksinstelling. Op de Pas rees in 1862 een infirmerie op van waaruit de zieken konden worden beheerd en waar zij die niet bij families waren geplaatst, tijdelijk konden verblijven. Tegen de eeuwwisseling was het Geelse systeem wijd en zijd beroemd, ook in het buitenland. Het aantal patiënten steeg opzienbarend. Eind 1938 telde de Geelse kolonie 3.736 patiënten, een absoluut hoogpunt. Ter vergelijking: ongeveer 100 jaar eerder, in 1842, maakten 355 mannen en 344 vrouwen de Geelse kolonie van geesteszieken uit. Dat Geel de eretitel van ‘Barmhartige Stede’ draagt, is een verdienste die voortkomt uit de eeuwenoude zorgvolle opvang van geesteszieken.


De gezinsverpleging bestaat nog altijd. Momenteel dragen nog ongeveer 360 pleeggezinnen zorg voor zowat 450 patiënten. Op de plaats waar een goede 150 jaar geleden de eerste infirmerie werd gebouwd, bevindt zich nu een groot complex met meerdere afdelingen om allerlei soorten psychiatrisch zieken op te vangen en te behandelen: het Openbaar Psychiatrisch Zorgcentrum.